|
G004 De Commissaris op bezoek in GemertTussen 1896 en 1925 was Mr. A.E.J. baron Van Voorst tot Voorst Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant. Een van zijn taken was het regelmatig bezoeken van alle gemeenten in de provincie. Van die werkbezoeken hield hij nauwkeurig verslag bij. Lees hier wat hij in in augustus 1897 over Gemert te melden had.
Bron: Brabants Historisch Centrum Den 9den Augustus 1897 bezocht ik de gemeente Gemert (ik reed van Helmond over Bakel, Gemert, Oploo naar Boxmeer). Op het gemeentehuis werd ik ontvangen door den Burgemeester Buskens en door den wethouder (van Kessel, doorgestreept) van den Broek; de andere wethouder was ziek. Er hingen enkele vlaggen; veel was er verder niet gedaan om mij feestelijk te ontvangen. Terwijl ik op het gemeentehuis zat te praten, kwam de harmonie een stukje voor het gemeentehuis spelen.
Op mijn audientie verschenen een groot aantal geestelijken, Notaris van Kemenade, Prinsen, een fabrikant (geen familie van het 1ste Kamerlid), de Overste van den Huize Padua, en Tonnaer, de rijksontvanger.
De overste van Padua kwam mij vragen een bezoek aan zijn gesticht te brengen; ik beloofde hem te zullen komen als ik Boekel bezocht, omdat ik nu geen tijd had. Ik verweet hem, dat hij in 1895 niet op audientie was gekomen bij de Koningin te s Bosch. (Ik had van den Off. Justitie gehoord, dat deze hem daartoe had aangezet).
Tonnaer vroeg vergunning voor de gemeenteveldwachters, om te mogen helpen bij het doen der beschrijving der belastingen.
Men roemde in Gemert ten zeerste de werking van de Commissie voor de schouwvoering op de Aa. De Erpsche watermolen zou nu over een dag of acht voor afbraak verkocht worden.
Van den burgemeester vernam ik, dat mr. Bondam voor vijf jaar gekomen was, het oud archief door elkaar had gehaald, beloofd had spoedig te zullen terugkomen, om het te ordenen, en nu eindelijk gekomen was en een begin van uitvoering van zijne plannen had gegeven.
Ik ontbeet ten huize van den burgemeester; vond daar diens vrouw; aan tafel zaten van Kemenade, Klasens en de wethouder (van Kessel, doorgestreept) van den Broek.- Ik reed een kwartier te laat weg (half twee) en kwam daardoor 15 minuten te laat te Oploo aan ( om 2.45 in plaats van om 2;30).
Het kasteel te Gemert behoorde indertijd aan Hr. Scheidius Lups; hij verkocht het aan Fransche Jezuieten; deze vestigden zich daar, doch gingen, toen zij weer in Frankrijk mochten komen weer naar hun vaderland terug; zij hielden het kasteel echter aan, om zich daar, in tijd van nood, weer te kunnen vestigen. Het kasteel brandde voor een paar jaar (onder de Jezueten) af; deze hebben het wel weer opgebouwd, maar toch niet weer in den oorspronkelijken staat teruggebracht.
De administratie te Gemert was in vrij goeden toestand; de witte vakken in de akten van den burgerlijken stand waren niet aangestreept; de inkwartieringslijst was nog niet herzien; er bestonden geen registers van aanvragen en beschikkingen volgens de hinderwet, en evenmin van localiteiten, waarin vergunning was tot verkoop van sterken drank in het klein; op een en ander werd de aandacht gevestigd.
Auteur: Baron Van Voorst tot Voorst |
|