|
DM001 Onze kelder diende als schuilplaatsIk ben Theo van der Burgt. Ben 70 jaar en woon nu in Gemert. Toen de Tweede Wereldoorlog begon, woonde ik in De Mortel. Ik was toen ongeveer viereneenhalf jaar. Ons gezin bestond uit een vader, een moeder en tien kinderen. De oudste was 20 jaar en de jongste was 2 jaar. Ja, het lijkt als je nog zo jong bent, dat je niet meer veel weet van de oorlog maar toch zijn sommige dingen blijven hangen. Ook heb ik van mijn vader en moeder verhalen gehoord. We konden gewoon naar school toe. We hadden toen geen peuterspeelzaal, maar wij gingen meteen naar de basisschool die bij ons de Bewaarschool heette. Na school moesten we dan meestal op de boerderij helpen met wat klusjes, bijvoorbeeld: aardappels rapen en als het oogsttijd was hielpen we met de oogst. Alleen s avonds na 6 uur moesten we naar binnen. Dat was een van de regels van de Duitsers.
Op het platteland hoefden we de ramen niet te verduisteren. In het dorp wel. Dat had te maken met de Engelse vliegtuigen die s avonds overkwamen. Want overal waar licht brandde bombardeerden de Engelsen.
Het dagelijks leven ging gewoon door. Eerst naar school en daarna werken. Mijn ouders werkten als boer en boerin op de boerderij. Dus ze konden gewoon naar hun werk.
Af en toe moesten we schuilen. Bijvoorbeeld als er gevaar dreigde en als s avonds Engelse vliegtuigen overkwamen. In mei 1940 zijn we gevacueerd naar de Deelse kampen voor drie dagen. Daarna mochten we weer gewoon naar huis. In de rest van de oorlog zijn we nooit meer gevacueerd, maar moesten we nog wel af en toe onderduiken in onze schuilkelder. Onze kelder diende als schuilplaats. Als er gevaar dreigde dan gingen we met heel het gezin in de kelder. Dat duurde dan meestal een paar uur en als de kust dan weer veilig was, mochten we er weer uit. We hebben nooit hele nachten of hele dagen in de schuilkelder moeten blijven. Er stonden wekflessen met voorraden eten. Als we dan een keer lang in de schuilkelder moesten blijven, hadden we tenminste iets te eten.
Wij hadden twee joodse onderduikers. Ze kwamen uit Amsterdam. Maar hun namen wisten we niet. In die tijd sprak je niet veel met namen. Een van de onderduikers had wit haar dus die noemden wij de witte. De onderduikers kregen bij ons te eten en hielpen in ruil daarvoor mee op de boerderij. In het bos achter onze boerderij had mijn vader samen met de onderduikers een heel groot gat gemaakt. Dat met planken, zand, stro en bladeren werd bedekt, zodat niemand kon zien dat eronder een schuilkelder was. Als er dan ooit gevaar dreigde, floot mijn vader op een fluitje en dan wisten de onderduikers, dat ze snel de schuilkelder in moesten gaan. In de schuilkelder sliepen ze ook. Wij mochten af en toe in de schuilkelder spelen. Ze zijn de hele oorlog bij ons geweest. Ik vond spannend dat wij zomaar stiekem onderduikers thuis hielden.
We hadden wel de kans dat we werden opgepakt omdat we onderduikers hielden. Daarom mochten wij ook nooit met de onderduikers praten of er iets tegen zeggen. Want als er ook maar een van mijn broers en zussen iets zou zeggen tegen NSBers dat wij onderduikers thuis hielden dan zouden mijn vader en de onderduikers opgepakt kunnen worden. Later in de oorlog toen het gevaar voor ons iets minder werd, mochten we wel met de onderduikers praten.
De Mortel werd bevrijd in september 1944. Er was meteen een groot spektakel. Je zag alle Duitsers wegtrekken richting Duitsland. Ze reden met grote tanks. En dat vond ik spectaculair om te zien. Alle Duitsers liepen met kinderwagens waarin ze hun spullen hadden zitten die ze overhadden gehouden van de oorlog. Ze vroegen aan ons of ze wat eten mochten voor onder weg. We hebben ze niets gegeven. We hebben ze weg gepest. Sommige Duitsers zijn ook ondergedoken gebleven in Nederland. En soms als er Engelse vliegtuigen overkwamen gingen de Duitsers met hun tanks tegen boerderijen aanstaan zodat de Engelsen hen niet konden zien.
Daarna kwamen de Engelsen die ook richting Duitsland trokken, want die verdreven de Duitsers naar Duitsland. Dat was heel raar want we hadden nog nooit bruine mensen gezien. We kregen van de Engelsen sigaren, koffie, thee, biscuits en nog veel meer. Daarna ging ik met mijn broers en zussen naar een boerderij die 2.5 km verderop lag, want die gingen de Engelsen met tanks in puin schieten. Dat was een heel groot spektakel.
Iedereen was blij en vierde feest. We gingen met het hele gezin naar een Engels kamp in De Rips (dat heette toen: Stippelberg). We hadden ruilgoederen meegenomen voor de Engelsen. Van hen kregen we sigaren, rozijnen, koffie, thee en nog veel meer lekkere dingen.
Dit alles heeft een dag geduurd.
Auteur: Evi van der Wijst |
|