|
DM003 Er was overal heel veel schrik ...Wij hebben meneer en mevrouw Van den Heuvel geïnterviewd. Zij woonden vroeger in De Mortel en nu nog steeds. Van het interview hebben wij geleerd dat er in de oorlog veel schrik is geweest. In de stad waren de leefomstandigheden minimaler dan op het platteland.
We hebben ook veel geleerd over hoe het er aan toe ging bij de mensen thuis tijdens de 2e W.O. Ook hebben we vernomen, dat er in de regio rond Gemert weinig gebeurd is aan gevechten etc. Kortom, we hebben veel van dit interview opgestoken.
“Hoe heeft u de oorlog beleefd?”
“Zelf weet ik er niet heel veel van, maar ik weet nog wel dat ik van een soldaat chocolade kreeg en weet ik ook nog dat er overal heel veel schrik was.” “Van wie heb je de chocolade gekregen?”
“Natuurlijk van de Engelsen. Van de Duitsers niet. Daar kreeg je niks van. Die haalden alleen maar alles weg. Een hele hoop fietsen, paarden, eten. Ik had toen wat meegemaakt met ons paard.
Die wilden ze meenemen. Maar ons vader was zo slim dat hij z’n paard wegjoeg, als de Duitsers eraan kwamen. Maar toen ze weggingen namen ze onze fiets mee. En radio’s, die dingen moest je wegstoppen. Anders als ze het zagen, werden ze afgepakt en jijzelf werd dan opgepakt. Dat deden ze, omdat ze schrik hadden dat er berichten vanuit Engeland kwamen die voor hun schadelijk waren.”
“Werden de ramen verduisterd voor de bombardementen?”
“Ja, dat is zo maar dat was ook vooral voor de veiligheid van de mensen zelf. Want zo konden ze niet zien waar de dorpen lagen en konden ze de dorpen dus ook niet bombarderen. Maar die bombardementen kon je wel horen aankomen. En als er bombardementen waren dan moest je met je ouders mee in de schuilkelder.” Bij mevr. Van den Heuvel moesten ze tussen de bonen gaan liggen. “Wij hadden thuis geen schuilkelder, dus was dat de enigste oplossing.
Dat moest op het moment dat de Engelsen hier tegen de Duitsers gingen vechten, toen de Engelsen uit de richting van Overloon kwamen. Ze kwamen door Griendsveen. Dat is daar met al die bruggetjes en dat water. Die werden ook voor de voet vernietigd. Toen ze naar ons kwamen, lag er bij ons een Engelsman achter de kachel op stro te slapen. Hij waarschuwde ons altijd als er gevaar kwam en dan moesten we weer tussen de bonen gaan liggen. Ik weet ook nog wel, dat er een vliegtuig bij ons thuis over vloog en een bom wierp in de achtertuin.
Die bom had toen een grote krater achtergelaten.”
“Hoe zagen de schuilplaatsen eruit?”
“Het was gewoon een gat in de grond, dat zo diep was dat je er rechtop in kon staan. Het was een paar meter breed , zodat je er in kon zitten en ook er naast lopen en het was ongeveer vijftien meter lang. Over dat gat legden we dan planken en daaroverheen weer zand zodat je het niet zag. We hadden er ook geen spullen. Er was niets. Als je er te lang zat, dan moest je naar binnen. Ik heb nog een keer meegemaakt, dat ons moeder naar binnen moest, want daar lagen er nog twee te slapen Ze was toen net op tijd terug, want er viel een lichtkogel achter haar op de grond. En daags daarna lagen de scherven van de bom gewoon nog bij ons in huis”
“Hoe ging het na de oorlog?”
“Ik weet nog wel dat wij thuis niet zoveel geld hadden en dat ons gezin moest gaan werken.
Alles wat wij verdienden ging in één pot en daar werden de noodvoorzieningen van gekocht.
Wij hadden het thuis niet zo breed. Wij lagen met z’n achten thuis boven op de schelft midden in de kou. Bij ons thuis was op de punt van het dak niets dicht. Als het sneeuwde, dan sneeuwde het ook bij ons binnen en dat was heel koud.
Wij waren met z’n achten thuis en daar moest toch wel heel wat voor gekocht worden.
Ik weet nog wel dat een vriend uit de stad vroeg: “Waarom hebben jullie zoveel kinderen?
Wij zijn thuis maar met z’n vijven. Gaan jullie nooit naar de voorbehoedsmiddelenwinkel?”
“Mijn ouders wisten nog niet eens wat dat was.”
Auteur: Bjorn Verbruggen en Davy Brouwers |
|